In Nederland komen verspreid over het jaar meer dan 400 vogelsoorten voor en lang niet alle soorten lopen een even groot risico op sterfte, habitatverlies en/of barrière werking door windturbines en hoogspanningsverbindingen. Aspecten die hierbij een rol spelen zijn tijd van het jaar (trekvogel, broedvogel, wintergast), maar ook bijvoorbeeld lichaamsgewicht en vlieghoogte.
Een aantal vogelsoorten is geïdentificeerd als het meest kwetsbaar voor aanvaringen en habitatverlies op land en op zee. Daarbij is vooral gekeken naar mogelijke effecten op de gehele populatie. Die zijn vaak het grootst bij soorten met een lage reproductie. Extra kwetsbaar zijn bedreigde en achteruitgaande soorten, omdat de populaties daarvan al onder druk staan of klein zijn.
Belangrijk om te beseffen dat de effectbeoordelingen grotendeels theoretische inschattingen zijn, omdat er nog veel onbekend is over de aantallen slachtoffers en de daadwerkelijke effecten op populatieniveau. Dat geldt ook voor de cumulatieve (totale) effecten van alle bestaande en geplande windparken en hoogspanningsverbindingen. In de praktijk hanteert men verschillende rekenmethodes om die effecten in te schatten. Uit onderzoek blijkt dat de gevolgen voor vogelpopulaties daarbij kunnen worden onderschat.
Kwetsbare vogels op land
De meest kwetsbaarste soorten (broedvogels en niet-broedvogels) voor directe aanvaringen met windturbines op land zijn roofvogels en uilen. Andere gevoelige families zijn leeuweriken, ooievaars, kieviten en plevieren, kraanvogels en meeuwen. Het risico op aanvaringen met hoogspanningslijnen is relatief het grootst voor reigers, kieviten, plevieren, uilen, strandlopers, snippen en meeuwen.
Weidevogels en andere soorten van open land zijn het gevoeligst voor habitatverlies als gevolg van de aanleg van energie-infrastructuur, omdat ze uitwijken voor hoog opgaande structuren in het open landschap waar ze broeden. De verstoringsafstanden van hoogspanningslijnen en -masten lopen voor de verschillende weidevogelsoorten en masttypen sterk uiteen.
Het is bekend dat veel trekvogels gevoelig zijn voor aanvaringen met windturbines en hoogspanningsverbindingen. Trekvogels vliegen in het voorjaar en najaar massaal tussen hun broedgebieden en overwinteringsgebieden. Zij lopen dan een aanzienlijk risico om in aanvaring te komen met windturbines en hoogspanningsverbindingen in of nabij hun vaste trekroutes, vooral ’s nachts en bij ongunstige weeromstandigheden (tegenwind, mist, regen).
Kwetsbare vogels op zee
Verschillende zee- en kustvogels staan te boek als kwetsbaar voor windparken op zee. Het is bekend dat drieteenmeeuw, grote jager, grote mantelmeeuw, kleine mantelmeeuw en zilvermeeuw erg gevoelig zijn voor aanvaringen, terwijl echte zeevogels als jan-van-genten, zeekoeten, alken en (alle soorten) duikers windparken vermijden.
Veel landvogels migreren op grote hoogte over zee en zijn daarmee niet of minder kwetsbaar voor windparken op zee. Trekvogels vliegen echter lager bij ongunstige weersomstandigheden en lopen dan een aanzienlijk risico om in aanvaring te komen met windturbines. Op zee behoren soorten als de bergeend, drieteenstrandloper, kanoet, kleine zwaan, rotgans, spreeuw, wulp en zwarte stern tot de meest kwetsbare soorten onder de trekvogels.
Deze kwetsbare vogelsoorten op zee kwamen naar voren in het onderzoek van het Windenergie op zee ecologisch programma (Wozep) en het bijbehorende Kader Ecologie en Cumulatie (KEC).